Van Gils Jan, Seghers Jan, Boen Filip, Meire Johan, Scheerder Jeroen



Yüklə 29,4 Mb.
Pdf görüntüsü
səhifə1/27
tarix07.07.2017
ölçüsü29,4 Mb.
  1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   27

Buiten
Spelen!
Van Gils Jan, Seghers Jan, Boen Filip, Meire Johan, Scheerder Jeroen,
Vanderstede Wouter, Vaningelgem Francis, Servaas Wouter
In opdracht van de Vlaamse Overheid
Van Gils Jan, Seghers Jan, Boen Filip, Meire Johan, Scheerder Jeroen,
Vanderstede Wouter, Vaningelgem Francis, Servaas Wouter
In opdracht van de Vlaamse Overheid

 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 

 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 Buiten spelen 
     
 
 
 
Onderzoek met betrekking tot de relatie tussen 
(on)beschikbaarheid van bespeelbare ruimte, de mate 
van buitenspelen en de gevolgen daarvan op de fysieke, 
sociale, psychische en emotionele ontwikkeling van de 
Vlaamse kinderen en jongeren. 
 
 
 
 
 
 
Kind & Samenleving vzw 

K.U.Leuven – Departement Humane Kinesiologie 
 
In opdracht van  
De Vlaamse Overheid  
Agentschap Sociaal-Cultureel Werk 
 
3

  
 
Onderzoek door: 
 
Kind & Samenleving vzw  
Onderzoekscentrum 

K.U.Leuven  
Departement Humane Kinesiologie 
 
 
Coördinatie:  
Kind & Samenleving vzw, Jan Van Gils 
 
 
Onderzoekers Kind en Samenleving vzw. 
Jan Van Gils  
Wouter Vanderstede 
Johan Meire 
Francis Vaningelgem 
Wouter Servaas 
 
Onderzoekers K.U.Leuven – Departement Humane Kinesiologie 
Jan Seghers 
Jeroen Scheerder 
Filip Boen 
Loes Torfs 
Ynte Peeters 
 
 
 
 
In opdracht van: 
 
De Vlaamse Overheid  
Agentschap Sociaal-Cultureel Werk 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
  
 
4

Inhoudstafel
 
 
 
 
 
 
 
Inleiding    
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Pagina 6 
 
 
 
Rapport1 
Syntheseverslag en beleidsaanbevelingen     
 
Pagina 9 
 
Rapport 2 
Literatuuronderzoek 
Pagina 31 
 
Rapport 3 
(Buiten)speelgedrag in Vlaanderen anno 2008 
Survey-onderzoek bij 6- tot en met 14-jarigen  
Pagina 73 
 
Rapport 4 
Observatieonderzoek 
Pagina 125 
 
 
 
Bijlagen 
Pagina 203
 
5

Inleiding
 
 
Wat verstaan we onder ‘buitenspelen’?  
 
Dit onderzoek concentreert zich op het spelen in openlucht in de publieke ruimte. Het gaat slechts 
zijdelings over het spelen in de eigen tuin. De focus op (publieke) ruimte volgt enerzijds uit de 
onderzoeksopdracht, die vraagt naar de samenhang van buitenspelen met de (on)beschikbaarheid 
van bespeelbare ruimte, en anderzijds uit de intentie om ons te richten op die aspecten van 
buitenspelen die door het beleid te beïnvloeden zijn.  
Het gaat ook eerst en vooral over het door de kinderen zelf georganiseerde spelen (alhoewel enkele 
keren ook het begeleid spelen aan bod komt). De leeftijd van de betrokken kinderen schommelt 
tussen 3 en 14 jaar. 
Onderzoeksdoelstellingen  
 
 Voor dit project werden volgende doelstellingen voorop gezet: 
1.  Het  belang en de invloed van buitenspelen beschrijven. Welke effecten heeft 
buitenspelen, met name op de ontwikkeling en de gezondheid van kinderen? Dit wordt 
algemeen beschreven in de literatuurstudie, en komt tevens aan bod in het survey-onderzoek 
(m.n. verband met lichaamsgewicht). 
2.  De feitelijke situatie van het buitenspelen in Vlaanderen in kaart brengen. Hoeveel wordt 
er gespeeld (door wie) en wordt er minder gespeeld dan vroeger?  
  Wie er waar en wat speelt, en hoeveel kinderen spelen wordt beschreven in het observatie-
onderzoek, het survey-onderzoek (zelfrapportering) en beperkt in de literatuurstudie. 
  Een zeker zicht op de evolutie van het buitenspelen van kinderen in Vlaanderen krijgen we uit 
de vergelijking van het observatie-onderzoek uit 2008 met soortgelijke gegevens uit 1983, en 
de vergelijking van het survey-onderzoek uit 2008 met soortgelijke gegevens uit 1989 en 
1979. 
3.  Inzicht verwerven in wat het buitenspelen van kinderen beïnvloedt.  
  In lijn met de onderzoeksopdracht is hierbij vooral gekeken naar het belang van de (publieke) 
ruimte waarin gespeeld kan worden. Het survey-onderzoek geeft hier enkele gegevens, het 
literatuuronderzoek biedt een overzicht, maar het is vooral in het observatie-onderzoek dat 
deze vraag aan bod komt. 
 Ook  de  eigen motieven van kinderen komen aan bod, in het literatuuronderzoek via de 
focusgroepen met kinderen die daarin zijn verwerkt, en beperkt ook in het survey-onderzoek.  
 
Vier rapporten 
 
Rapport 1: Syntheseverslag en beleidsaanbevelingen  
(Onderzoekscentrum Kind & Samenleving, Dept. Humane Kinesiologie, K.U.Leuven + inspiratie uit 
“Seminarie Buitenspelen 10.10.2008”) 
Met dit rapport wordt een synthese gemaakt van het onderzoek van de vier hierboven vernoemde  
onderdelen. Daarnaast bevat het ook de beleidsaanbevelingen die resulteren enerzijds uit de 
onderzoeken en anderzijds een seminarie met diverse deskundigen. 
 
Rapport 1: Literatuurstudie  
(Onderzoekscentrum Kind & Samenleving) 
Het eerste rapport geeft een overzicht van de bestaande literatuur over buiten spelen. 
Het rapport gaat in op de effecten die buitenspelen heeft op de ontwikkeling voor kinderen (hoofdstuk 
1); de externe factoren die het buitenspelen beïnvloeden, met name de rol van de woonomgeving 
(hoofdstuk 2); de motieven van kinderen zélf om (al dan niet) buiten te spelen (hoofdstuk 3); en 
gegevens over het feitelijke buitenspelen in Vlaanderen (hoofdstuk 4). 
Over de effecten werd de internationale wetenschappelijke literatuur doorgenomen; voor de 
woonomgeving en de motieven van kinderen zelf gaat het vooral om Vlaamse en Nederlandse 
studies. 
 
6

 
Rapport 2: Survey-onderzoek  
(Dept. Humane Kinesiologie, K.U.Leuven) 
Het tweede rapport doet verslag van een survey-onderzoek bij ongeveer 2300 kinderen van 6 tot en 
met 14 jaar.  
In een eerste hoofdstuk wordt een algemeen beeld geschetst van de spel-, sport- en 
ontspanningsactiviteiten van kinderen van 6 tot en met 14 jaar. In het bijzonder wordt onderzocht in 
welke mate er een verband bestaat met persoonlijke achtergronddeterminanten zoals het geslacht, de 
leeftijd en de gewichtstatus van het kind. 
In een tweede hoofdstuk van dit rapport wordt ingezoomd op het (ongeorganiseerd) speelgedrag in de 
woon- een leefomgeving van kinderen en wordt nagegaan welke sociaal-culturele factoren dit 
speelgedrag gunstig of ongunstig beïnvloeden. 
In een derde hoofdstuk komen ook de redenen aan bod die kinderen aangeven om al dan niet buiten 
te spelen.  
In deel vier wordt getracht om op basis van de verzamelde onderzoeksgegevens het profiel van de 
buitenspeler anno 2008 in kaart te brengen en op zoek te gaan naar de specifieke indicatoren die dit 
profiel kunnen voorspellen.  
In een vijfde en laatste hoofdstuk wordt het speelgedrag van kinderen en jongeren in 
tijdstrendperspectief geplaatst door de gegevens van 2008 te vergelijken met twee eerder 
afgenomen vergelijkbare surveys uit 1979 (enkel meisjes) en 1989 (jongens en meisjes). 
 
Rapport 3: Observatie-onderzoek 
(Onderzoekscentrum Kind & Samenleving) 
Dit rapport doet verslag van een observatie-onderzoek van het spelen van kinderen in 7 verschillende 
woonwijken tijdens de paas- en zomervakantie van 2008. Het observeert kinderen in hun dagelijkse 
(vnl. ongeorganiseerde) buitenspeelcontext: hun woonomgeving. Aantallen, geslacht, leeftijd, het al 
dan niet onderweg en het al dan niet begeleid zijn en het soort spel van de kinderen werden 
genoteerd. 
De gegevens uit 2008 worden bovendien vergeleken met de gegevens uit een vergelijkbaar 
onderzoek uit 1983, waarop het voorliggende observatie-onderzoek is geënt.  
Na een sociaal-ruimtelijke beschrijving van de wijken (hoofdstuk 2), brengt het onderzoek in kaart 
wie waar speelt (hoofdstuk 3): hoe zijn de observaties te verdelen volgens gender, leeftijd, het al dan 
niet onderweg zijn, het begeleide en het georganiseerde karakter van het spel, en de diverse 
speelvormen? 
Een speelindex gaat na hoeveel kinderen werden geobserveerd in vergelijking met het aantal 
kinderen dat de wijk bewoont (hoofdstuk 4).  
In hoofdstuk 5, de hoofdmoot van het observatie-onderzoek, wordt gezocht naar verbanden tussen 
het speelgedrag en de publieke ruimte: de diverse types publieke ruimte, stedelijke en suburbane 
wijken, inrichtingselementen en wegcategorisering. De onderzochte wijken komen bovendien apart 
aan bod. 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
7

 
 
 
 
 
 
8

 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Rapport 1 
 
 
Syntheseverslag en beleidsaanbevelingen   
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 

 
 
 
 
 
 
 
 
         Departement Humane Kinesiologie
 
Faculteit Bewegings- en Revalidatiewetenschappen
 
Katholieke Universiteit Leuven
 
 
 
Rapport 1 
 
Syntheseverslag en beleidsaanbevelingen   
 
Onderzoek met betrekking tot de relatie tussen (on)beschikbaarheid van 
bespeelbare ruimte, de mate van buitenspelen en de gevolgen daarvan 
op de fysieke, sociale, psychische en emotionele ontwikkeling van de 
Vlaamse kinderen en jongeren. 
 
Opgemaakt door de onderzoekers: 
K.U.Leuven  
 
Departement Humane Kinesiologie  
   Jan 
Seghers, 
Jeroen Scheerder 
Filip Boen  
 
Onderzoekscentrum Kind & Samenleving  
Jan Van Gils (red.), 
Johan Meire,  
Wouter Vanderstede,  
Wouter Servaas  
 
Met inspiratie vanuit het Seminarie Buitenspelen 10 oktober 2008  
waaraan – naast de onderzoekers – deelnamen: 
 
Ugent    
 
Bruno Vanobbergen, Sven Devisscher  
VIG  
 
Olaf Moens, Ruth Costers 
VVJ  
 
Marc Ipermans,  
Speelruimte  
Dirk Vermeulen 
Heusden-Zolder Els 
Jennen 
Stad Gent 
 Marianne 
Labre 
Stad Antwerpen Wim 
Seghers 
Steunpunt Jeugd 
Joris Velleman, Katrijn Gijsel 
Kind en Samenleving Peter Dekeyser 
Agentschap Sociaal-Cultureel Werk voor jeugd en volwassenen:  
Els Cuisinier, Seppe Dams, Gerda Vanroelen. 
Rapport 1 – syntheseverslag en aanbevelingen 
10

 
Inhoudstafel synthesenota 
 
1. Syntheseverslag.................................................................................................................... 12 
1.1. Het belang van buitenspelen ......................................................................................... 12 
1.2. Hoeveel ‘moeten’ kinderen buitenspelen? .................................................................... 12 
1.3. Evolutie in het buitenspelen van kinderen is onvermijdelijk ........................................ 12 
1.4. Buitenspelen: niet alleen in het publieke domein.......................................................... 13 
1.5. Het aantal buitenspelende kinderen in het publieke domein is gehalveerd. Mogelijke 
verklaringen.......................................................................................................................... 13 
1.6. De leeftijd van de buitenspelers .................................................................................... 15 
1.7 . Jongens en meisjes ....................................................................................................... 16 
1.8. De kwaliteit van het spelen ........................................................................................... 17 
1.8.1. De diversiteit aan spelvormen ................................................................................ 17 
1.8.2.Kunnen bepaalde spelvormen extra gestimuleerd worden? .................................... 18 
1.9. Waar spelen kinderen? .................................................................................................. 18 
1.10. Het georganiseerde spelen en het spelen onder toezicht ............................................. 21 
1.11. Overgewicht ................................................................................................................ 22 
1.12. Veiligheid .................................................................................................................... 22 
1.13. Profiel van het buitenspelende kind ............................................................................ 23 
1.14. Het karakter van een wijk............................................................................................ 23 
2. Beleidsaanbevelingen........................................................................................................... 24 
2.1.Vertrekpunt..................................................................................................................... 24 
2.2.Doelstellingen................................................................................................................. 24 
2.3.Operationalisering en uitwerking ................................................................................... 24 
2.3.1.lokaal beleid ............................................................................................................ 24 
3.2. Beleid op bovenlokaal niveau ................................................................................... 27 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Rapport 1 – syntheseverslag en aanbevelingen 
11

1. Syntheseverslag 
 
1.1. Het belang van buitenspelen  
 
Er is weinig discussie over de vraag of buitenspelen belangrijk is voor kinderen. Die aanname wordt in 
de literatuur quasi unaniem aanvaard, en bovendien gesitueerd op diverse vlakken van de 
ontwikkeling van kinderen. Toch is buitenspelen niet iets als een vitamine zonder dewelke de 
ontwikkeling van een kind op welbepaalde gebieden deficiënt is. Dat soort causale relaties is 
onmogelijk te bewijzen, niet in het minst omdat ‘buitenspelen’ een containerbegrip is. Het buitenspelen 
impliceert meestal lichaamsbeweging en draagt dus bij tot een goede fysieke ontwikkeling, tot de 
gezondheid en zo ook tot een beter welbevinden. Samen (buiten)spelen met kinderen is ook een 
arena voor het ontwikkelen van sociale vaardigheden en sociale cohesie. Ook de emotionele 
ontwikkeling, ruimtelijke oriëntatie, ruimtelijk bewustzijn, cognitieve vaardigheden, tijdsbeheer en 
ontspanning worden met buitenspelen in verband gebracht. Een ander element dat aan het 
buitenspelen verbonden wordt, is het zelfstandig organiseren van het spelen; daarbij komen de 
organisatiecapaciteit van kinderen en hun zin voor initiatief extra aan bod. 
 
Het effect van buitenspelen op deze domeinen – de causale band tussen buitenspelen en een betere 
ontwikkeling – is evenwel moeilijk te bewijzen met cijfermateriaal, zeker wanneer het de moeilijk 
meetbare sociale of emotionele ontwikkeling betreft. Maar ook studies die de samenhang tussen 
buitenspelen en fysieke ontwikkeling onderzoeken, hebben te kampen met methodologische 
problemen. Op de mogelijke samenhang tussen (weinig) buitenspelen en obesitas komen we nog 
terug. 
 
Er is voldoende reden om zonder meer te stellen dat buitenspelen op een heel aantal gebieden 
belangrijk is voor kinderen, maar tegelijk dient erkend te worden dat de ondersteuning van hard 
cijfermateriaal vooralsnog mager is.  
 
Of nog: buitenspelen is belangrijk, maar we kunnen het niet bewijzen. Het is niettemin ons 
uitgangspunt. 
 
1.2. Hoeveel ‘moeten’ kinderen buitenspelen? 
 
Het buitenspelen is niet voor alle kinderen even belangrijk. Kinderen zijn geen identieke wezens: hun 
noden en behoeften verschillen, hun persoonlijke interesses en drijfveren zijn zeer gevarieerd, hun 
karakters zijn niet te vergelijken. Daarom zal ook de mate waarin ze buitenspelen en de manieren 
waarop ze dat doen, erg verschillen. Er kan (vooralsnog?) geen ‘recept’ voorgeschreven worden over 
de mate en de aard van het buitenspelen die voor een bepaald kind op een bepaalde leeftijd in een 
bepaalde omgeving en sociale context nodig zijn.  
 
Er kunnen wel degelijk indicatoren ontwikkeld worden omtrent de nood aan lichaamsbeweging: bij 
kinderen is één uur per dag matige tot intense beweging nodig voor een goede gezondheid. Deze 
doelstelling moet evenwel niet alleen via het buitenspelen gehaald worden en bovendien behelst ook 
niet elk soort buitenspelen veel beweging. Echter hoe de nood aan sociale en emotionele 
ontwikkeling, ruimtelijke oriëntatie enz. moet gekwantificeerd worden, is zeer onduidelijk. 
 
1.3. Evolutie in het buitenspelen van kinderen is onvermijdelijk 
 
De samenleving evolueert op vele manieren. Kinderen zijn niet meer zo manifest aanwezig in het 
straatbeeld, de gezinnen hebben gemiddeld minder kinderen en zijn op meer diverse manieren 
samengesteld. Heel wat kinderen, van wie vaak veel verwacht wordt, hebben een druk leven en 
maken daarbij gebruik van een groot aanbod aan vrijetijdsbesteding, zowel in het educatieve als in het 
puur recreatieve veld, zowel in de commerciële als in de niet-commerciële sector. De veelheid aan 
Rapport 1 – syntheseverslag en aanbevelingen 
12

Rapport 1 – syntheseverslag en aanbevelingen 
13
informatie die op kinderen af komt dwingt hen om sneller keuzes te maken, meer keuzes te maken 
enz.  
 
Ongetwijfeld hebben dergelijke evoluties een invloed op het speelgedrag en dus ook op het 
buitenspelen. Het is evenwel niet zo duidelijk welke veranderingen welke invloed hebben op het 
speelgedrag. Daarover is amper wetenschappelijk materiaal voorhanden. 
Wat wel duidelijk is, is dat de toename van de binnenspeelmogelijkheden niet samenhangt met een 
afname van het buitenspelen. Die vrees wordt niet onderbouwd door het bestaande onderzoek over 
buitenspelen. Het literatuuronderzoek levert veeleer evidentie voor de stelling dat de tijd die kinderen 
binnen spelend doorbrengen niet ten koste gaat van de tijd die ze besteden aan buitenspelen
1
.  
Het gaat dus voor de kinderen niet om een of/of keuze, maar als ze toch zouden moeten kiezen leren 
we uit het survey-onderzoek dat ongeveer de helft van de ondervraagde kinderen aangeeft dat ze 
dikwijls liever buitenspelen dan binnen.  
 
1.4. Buitenspelen: niet alleen in het publieke domein 
 
Gegevens 
Er zijn vele manieren om buiten te spelen en actief bezig te zijn. Het survey-onderzoek reikt ons 
daarbij heel wat gegevens aan. Er zijn niet in het minst de verplaatsingen van en naar school 
(gemiddeld 1 kind op 3 gaat overwegend met de fiets naar school, bij de oudere leeftijdsgroepen is dit 
zelfs bijna 1 op 2). Er is de georganiseerde sportdeelname (gemiddeld 2 kinderen op 3 zijn lid van een 
sportclub), maar eveneens het jeugdwerk (gemiddeld 1 kind op 3 is lid van een jeugdbeweging). Er is 
het spelen in de tuin (meer dan de helft van de kinderen geeft aan dikwijls in de tuin buiten te spelen), 
de eigen tuin of de tuin van een vriend(in). En ook tijdens schoolpauzes kan het kind spelen, sporten, 
… Kortom, er is dus nog buitenspelen naast het publieke domein. 
 
Uit het survey-onderzoek blijkt dat het spelen in de eigen tuin dubbel zo populair is als het spelen in 
het publieke domein. De populariteit van het spelen in de tuin bij een vriend(in) is in de voorbije 
decennia gestegen met 10%. In 1983 hebben we geen georganiseerd spelen waargenomen in de 
publieke ruimte, terwijl we nu wel verschillende groepen georganiseerd spel
 
gezien hebben. 
Buitenspelen gebeurt dus ook via de jeugdbeweging en op– vanginitiatieven. Door het organiseren 
van groepsspellen en zoektochten is de jeugdgroep een belangrijke context voor kinderen om bos en 
andere groene ruimte te ontdekken, locaties waar anders zelden of nooit gespeeld wordt.  
 

Yüklə 29,4 Mb.

Dostları ilə paylaş:
  1   2   3   4   5   6   7   8   9   ...   27




Verilənlər bazası müəlliflik hüququ ilə müdafiə olunur ©azkurs.org 2020
rəhbərliyinə müraciət

    Ana səhifə