Inhoud Inleiding Hoofdstuk 1 Arrestatie in Londen Vlucht in verwarring


Bronnen: Getuigenissen voor de Parlementaire Enquête Commissie, onderwie overste Cas en het eind rapport van majoor Carp als bijlage bij de PEC-verhoren



Yüklə 310,34 Kb.
səhifə2/6
tarix14.04.2017
ölçüsü310,34 Kb.
#14097
1   2   3   4   5   6

Bronnen:
Getuigenissen voor de Parlementaire Enquête Commissie, onderwie overste Cas en het eind rapport van majoor Carp als bijlage bij de PEC-verhoren.
H. Neuman: Impasse in Londen. Aanwezig in NIOD-bibliotheek

Hoofdstuk V


Amerika
In de Verenigde Staten verlenen de autoriteiten aanvankelijk geen enkele medewerking aan de rekrutering van Nederlandse dienstplichtigen, om de simpele reden dat het voor alle buitenlandse regeringen bij de wet verboden is. De eerste activiteiten worden in december 1940 ontplooid door de Nederlandse consul-generaal in New York. Er komt een bureau waar dienstplichtigen en vrijwilligers zich kunnen laten registreren. In mei 1941 komen er ook dergelijke bureaus op de consulaten in Chicago, San Fransisco en Los Angeles.

De Militaire Missie vraagt de Amerikanen een lijst van Nederlandse ingezetenen in de dienstplichtige leeftijd, maar ook dit wordt op grond van dezelfde wet geweigerd. Zelfs het plaatsen van advertenties in Amerikaanse dagbladen en in de Knickerbocker, een blad dat speciaal gericht is op Nederlanders, kan in de ogen van de Amerikaanse overheid geen genade vinden. De consul in Los Angeles tracht op voorstel van de consul-generaal in New York dagbladen ertoe te brengen een redactionele artikelen te plaatsen over de rekrutering. Of dit is gelukt vermeldt de geschiedenis niet.

Geleidelijk aan versoepelen de Amerikanen de strikte verbodsbepalingen. In de Nederlandse consulaten mogen posters komen te hangen en de Militaire Commissie mag zich richten op Nederlanders die de eerste stap hebben gedaan op weg naar naturalisatie. Dat zijn degenen die als declarant aliens inmiddels hun first papers hebben gekregen. Hoewel zij dan nog geen Amerikaans staatsburger zijn vallen zij al wel onder de Amerikaanse dienstplichtwet, maar de autoriteiten staan toe dat hen de keuze wordt gelaten om dienst te nemen in het Nederlandse leger. Slechts enkelen maken daar gebruik van.

Nadat Amerika in december 1941, na de Japanse aanval op Pearl Harbor, bij de Tweede Wereldoorlog wordt betrokken, worden deze declarant aliens gemobiliseerd voor het Amerikaanse leger en is kiezen voor het Nederlandse leger helemaal niet meer mogelijk. Wel trekt de Amerikaanse overheid alle beperkingen op rekruteringsactiviteiten van de Militaire Missie en de Nederlandse consulaten in, omdat Nederland nu een bondgenoot is in de oorlog. Er blijft echter één beperking: potentiële Nederlandse dienstplichtigen mogen niet langer met sancties en straffen worden bedreigd als zij zich niet melden.


De kwestie Charles de Vogel
Een kwestie die de samenwerking tussen Nederlandse rekruteringsambtenaren en de plaastelijke autoriteiten niet bevordert gaat over een Nederlandse korporaal die Amerikaans staatsburger wil worden en die in het Amerikaanse leger wil. Het gaat om Charles Emil de Vogel. Hij dient in 1939 en 1940 als korporaal in Indië en emigreert in 1940 naar Amerika, waar hij een Amerikaanse trouwt en een jaar later naturalisatie aanvraagt. Hij ontvangt zijn first papers en valt dus onder de Amerikaanse dienstplichtwet. Toch kiest hij aanvankelijk, als dat nog kan, voor het Nederlandse leger, krijgt een opleiding in Canada en doet vervolgens dienst op Curaçao, waar hij tot 1943 blijft.

Dan moet hij via Canada door naar de Prinses Irene Brigade in Engeland. Hij vraagt om via Los Angeles te mogen reizen om daar nog wat persoonlijke zaken te regelen. Dit wordt toegestaan, maar in LA laat hij het Nederlandse consulaat weten in Amerika te willen blijven om over te stappen naar het Amerikaanse leger. De Nederlandse autoriteiten beschouwen dit als een daad van desertie en verzoeken de Amerikanen om De Vogels arrestatie. Dit gebeurt. In afwachting van een juridisch onderzoek blijft De Vogel in detentie. Na enige maanden komt de judge advocat general, chef van het juridisch apparaat van de Amerikaanse landmacht, tot het besluit dat De Vogel op onwettige manier is ingelijfd in het Nederlandse leger. Hij moet worden vrijgelaten en moet vervolgens zijn Amerikaanse dienstplicht vervullen.

Nederland laat het er niet bij zitten. De kwestie wordt op een hoger plan getild en er ontstaat een wat vinnige briefwisseling tussen de betrokken Nederlandse en Amerikaanse ministers. Van Amerikaanse zijde wordt gesteld dat Nederland De Vogel tegen de gemaakte afspraken in onder dreigementen met sancties heeft ingelijfd. Juridisch staat Nederland sterk, omdat op het tijdstip dat De Vogel dienst nam in het Nederlandse leger het Amerikaanse verbod op dreigementen nog niet van kracht was. De Amerikaanse autoriteiten stellen ook vast dat De Vogel nu (het is inmiddels 1944) volledig Amerikaans staatsburger is geworden, dus onmogelijk terug kan naar het Nederlandse leger. Discussie gesloten.

Deze lang slepende kwestie bevordert het toch al beperkte enthousiasme bij Nederlandse dienstplichtigen in Amerika niet. De consulaten krijgen steeds meer brieven met vragen over de mogelijke consequenties van weigering, maar ook van dienstneming. Wat zijn de straffen als ze wegblijven en in hoeverre komt hun Amerikaanse verblijfsvergunning in gevaar als zij wel als Nederlands soldaat naar Engeland vertrekken?

Volgens het eerder vermelde eindrapport van majoor Carp melden zich in de verenigde Staten grofweg 1.500 dienstplichtigen. Van hen worden er 475 afgekeurd, 55 vrijgesteld en blijven er 640 thuis, van wie er ca. 200 liever meevechten bij de Amerikaanse strijdkrachten, vaak zonder dat zij beseffen officieel als Nederlands dienstweigeraar geregistreerd te staan.

De militair historicus Gerlof D. Holman verwijst in een beschouwing over de Amerikaanse rekrutering-campagne naar een nog hoger cijfer afkomstig van de Nederlandse regering in Londen: ruim 900 weigeraars. Het algemeen hoofd van de wereldwijde rekruteringcampagne, oud-minister van Defensie Dijxhorn, spreekt volgens Holman van ruim 700 ‘deserteurs’.


Duur fiasco
De hele campagne in Amerika is een duur fiasco geworden. De resultaten zijn zeer teleurstellend en het heeft allemaal ook nog handen met geld gekost. Volgens Carp alleen al in Amerika minimaal 150.000 dollar per jaar.

In 1942 druppelen bij de rekruteringsbureaus de aanmeldingen van dienstplichtigen, maar ook wel van vrijwilligers (dat kan tot 50 jaar), nog maar mondjesmaat binnen. Het personeel in dienst van de militaire missie verveelt zich dood. Het wordt tijd de boel flink in te krimpen. De consequentie daarvan is dat het grootste deel van de missieleden terug moet naar Engeland. Daar voelen de meesten weinig voor. Overste Sas, die een comfortabel leven leidt met vrouw en zoon aan de veilige kant van de Atlantische Oceaan, tracht Dijxhoorn er van te overtuigen dat doorgaan met werven zeker nog zin heeft. Dijxhoorn toont slappe knieën en geeft toe. De missie blijft nog een jaar langer en wordt uiteindelijk in september 1943 opgeheven.

Sas zal na de oorlog opklimmen tot generaal-majoor en militair attaché worden in Washington. Nog geen half jaar nadat hij uitgebreid heeft getuigd voor de Parlementaire Enquête Commissie komt hij op 21 oktober 1948 om bij de ramp van de KLM Constallation “Nijmegen” op het Schotse vliegveld Prestwick. Ook de bekende vliegenier en de gezagvoerder van het vliegtuig, K.D. Parmentier, behoort tot de slachtoffers.

De Parlementair Enquête Commissie is na de oorlog van mening dat de militaire missie in Noord-Amerika ‘ernstig in gebreke is gebleven’ en schrijft verder: “De Commissie kan zich niet aan de indruk onttrekken dat de betrokken officieren zich te veel door persoonlijke motieven hebben laten leiden”.

Loe de Jong deelt de mening van de PEC van harte en voegt daar nog aan toe dat de meeste officieren die deel uitmaakten van de missie ‘de nationale zaak slecht gediend hebben’. Hij geeft Dijxhoorn ook nog een veeg uit de pan door op te merken ‘dat ook te betreuren valt dat Dijxhoorn die in januari ‘42 volmacht had gekregen [van de minister van Defensie in Londen] om krachtig in te grijpen daarvoor teruggeschrokken is’.

Alles bij elkaar vertrekken 750 Nederlandse jongemannen uit Noord-Amerika om de gelederen van de Prinses Irene Brigade te komen versterken, plus nog ca. 150 man (onder wie ook vrijwilligers) uit kleinere landen gelegen op het Westelijk halfrond. Minstens 1.150 Canadese en Amerikaanse Nederlanders, die er niets voor voelen om als soldaat van Oranje te dienen in een Nederlandse legereenheid, zijn onvindbaar, of vechten liever voor hun nieuwe vaderland.


000000000000000000
Bronnen:
Gerlof D. Holman: ’Recruitment of Dutch nationals in the United States for the Netherlands Armed Forces in the Second World War’(waarin de kwestie De Vogel) Uit Medelingen van de Sectie Militaire Geschiedenis Landmacht, deel 9, Den Haag, 1986.
Het verhaal van de Nederlandse oud-strijders ut de Spaanse burgeroorlog staat vermeld in het dagboek van minister van Oorlog O.C. Van Lidth de Jeude.

Hoofdstuk VI


Zuid-Afrika
Op 29 juli 1942 vertrekt uit Kaapstad het Nederlandse motorschip Tarakan. Aan boord bevinden zich ongeveer vijftig in Zuid-Afrika wonende Nederlanders. Ze zijn op verzoek van de Nederlandse autoriteiten en met medewerking van de Zuid-Afrikaanse regering door de politie gearresteerd, omdat zij geweigerd hebben zich als dienstplichtigen te melden.

De deportatie is het directe gevolg van het feit dat in Zuid-Afrika tegen Nederlandse dienstweigeraars strafmaatregelen zijn toegestaan. Althans voor zover zij te vinden zijn. De meesten duiken onder, of nemen de wijk naar het aangrenzende en neutrale Portugese Mozambique.

Wat ging er aan deze dramatische gebeurtenissen vooraf? Veel.

Op 1 september 1939 verklaart Engeland Nazi-Duitsland de oorlog, nadat Adolf Hitler Polen is binnengevallen. De Unie van Zuid-Afrika is weliswaar zelfstandig, maar is nog wel als lid van het Britse Gemenebest nauw verbonden met Engeland. De vraag die onmiddellijk rijst is of de Unie neutraal zal blijven, of zich achter Engeland zal scharen en Nazi-Duitsland ook de oorlog zal verklaren. Veldmaarschalk Jan Smuts, die op dat moment vice-premier is in een coalitieregering met generaal J.B.M. Hertzog als premier, is een groot voorstander van deelname aan de oorlog. Hertzog wil dat Zuid-Afrika neutraal blijft. Het parlement moet het uitmaken.

Na een heftig parlementair debat dat dagen duurt krijgt Smuts een meerderheid van dertien stemmen achter zich. Zuid-Afrika is in oorlog met Nazi-Duitsland en het Italië van Benito Mussolini, maar, zo zal al gauw blijken, ook met zichzelf. Er is wel een beperking: Zuid-Afrikaanse troepen zullen alleen in Afrika vechten. De eerste taak is Italië te verdrijven uit Abessynië en Eritrea. Ruim 93.000 Italiaanse krijgsgevangenen worden naar Zuid-Afrika overgebracht, waar zij wegen en bruggen aanleggen. Duizenden geven er na de oorlog de voorkeur aan om in Zuid-Afrika achter te blijven om daar een bestaan op te bouwen.
Opstand
Het democratisch genomen besluit aan de oorlog deel te nemen heeft tot gevolg dat een groot deel van de Afrikaners van Neerlands stam, waarvan duizenden zijn georganiseerd in bewegingen als de Broederbond en de Ossewa Brandwag, in opstand komen. De Stormjaers, de gewapende tak van de OB, vormen de spil van de opstand. De Boerenoorlog, die de Britten in 1905 wonnen, ligt nog vers in het geheugen. Dus kan er in hun opvatting geen sprake zijn van solidariteit met de Britse aartsvijaand, die de opstandige Boeren zo smartelijk heeft verslagen. Zuid-Afrika zou neutraal moeten blijven, De meer radicale elementen, onder wie parlementsleden, sympathiseren openlijk met Nazi-Duitsland. Een gewapende opstand dreigt en hevige rellen breken uit in Pretoria, Johannesburg en andere steden. Afrikaanssprekende politiemannen, die de grote meerderheid van het korps vormen, en soldaten gaan elkaar letterlijk te lijf. Er vallen tientallen gewonden en een militair wordt gedood. Duizenden politiek onbetrouwbare en staatsgevaarlijke mannen worden geïnterneerd. Onder hen bevindt zich ook de latere premier tijdens de Apartheid-periode, John Vorster. Een amateuristisch voorbereidde, door Duitse Nazi’s geïnspireerde staatsgreep, ook bekend onder de naam Operatie Weissdorn, wordt onschadelijk gemaakt.

Nederlandse Militaire Missie


In het voorjaar van 1941 besluit de Nederlandse regering in Londen een kleine militaire missie naar Zuid-Afrika te sturen, die de rekrutering van vrijwilligers moet organiseren en dienstplichtigen gereed moet maken voor uitzending naar Engeland. Vanuit Indië is voor dit doel al schout-bij-nacht J. Bosma in Zuid-Afrika aangekomen. Vanuit Engeland komen de officier van gezondheid overste G. F. Koch en 1ste luitenant W.M. Reuhl. Van meet af aan botert het niet tussen Koch en Bosma. De laatste is hoger in rang en moet dus officieel de leider van de militaire missie worden, maar Koch wil dat niet, want hij wil zoveel mogelijk rechtstreeks onder het ministerie van Defensie werken, waar de voormalige minister van dit departement, Dijxhoorn, verantwoordelijk is voor de coördinatie van de rekrutering in de verschillende landen.

Bosma is een wat uitgebluste en krachteloze figuur, die al in 1933 met pensioen is gegaan. In Zuid-Afrikaanse politieke kringen krijgt hij de bijnaam The Old Lady. Tot zijn eigen verbazing neemt Koch zonder bezwaar van Bosma de leiding van de missie over. Koch houdt van krachtig optreden. Na Bosma is de volgende die hij op zijn weg vindt de Nederlandse gezant in Pretoria, jonkheer W.F. van Lennep.

Deze wordt door mensen die met hem werken afgeschilderd als een nogal zwakke figuur met rechtse, volgens sommige zelfs pro-Duitse, opvattingen. Wat dit beeld nog versterkt is zijn wel erg vriendschappelijke omgang met rechts-radicale Afrikaners en Duitse Nazi-sympathisanten. De laatsten ontvangt hij regelmatig op het gezantschap in de periode tussen september 1939 en mei 1940 als hij in opdracht van Den Haag voor Zuid-Afrika de diplomatieke betrekkingen met Berlijn vertegenwoordigt. Die banden waren officieel verbroken nadat Zuid-Afrika Duitsland de oorlog verklaarde.

Het verbaast niemand dat de samenwerking met de Nederlandse Militaire Missie niet bepaald harmonieus verloopt. Van Lennep voelt niets voor invoering van dienstplicht voor Nederlanders in Zuid-Afrika, maar heft zich te houden aan het in Londen genomen wetsbesluit A 10. Premier Jan Smuts is aanvankelijk ook geen voorstander van het oproepen van Nederlandse dienstplichtigen en hij wil al helemaal niets weten van pogingen om weigerachtige dienstplichtigen door de politie te laten arresteren.

Koch zegt hierover voor de Parlementaire Enquête Commissie: “Ik ben begonnen te zeggen: ik moet eerst eens zien of het mogelijk is. De gezant heeft mij toen geïntroduceerd bij generaal Smuts. Die zei: ik vind het prachtig, maar wegens de inwendige politieke toestand hier kan ik je niet de minste sanctie geven. Als zij weigeren kunnen wij niets doen. Wij hebben toen een bespreking gehad, waarbij aanwezig waren de heer Van Lennep, die de leiding had, de toenmalige consul-generaal de heer Daubenton, die consul-generaal in Johannesburg was en later inspecteur van de geneeskundige dienst is geweest, en nog enige mensen. De heer Daubenton zei: ik geloof niet dat het zal gaan. Ik vond echter dat men een figuur zou slaan wanneer men na de kwestie besproken te hebben met generaal Smuts en de chef van de staf zou zeggen: wij durven het niet aan. Ik heb dus gemeend, gezien de omstandigheden, door te zetten. Het is ook doorgegaan. Het tegenvoorstel was om alleen vrijwilligers te laten opkomen. Dat vond ik unfair tegenover Canada en Amerika. Ik verwachtte daarvan moeilijkheden voor de regering. Op grond van de Nederlandse wetgeving was men zowel in Canada als in de Verenigde Staten verplicht te komen. In Canada wilde men echter alleen maar toestaan dat de mensen vrijwillig in dienst gingen.

Volgens de Nederlandse wetgeving was de positie echter gelijk en daarom vond ik het onbillijk wanneer men de mensen, omdat ze toevallig in Zuid-Afrika woonden, niet zou verplichten op te komen. Wij hebben toen de Zuid-Afrikaanse regering gevraagd ons inzage te geven van de lijsten van in Zuid-Afrika wonende Nederlanders. Er was echter niemand geregistreerd. Men had in Zuid-Afrika geen burgerlijke stand Als men de een of andere moeilijkheid ondervindt, kan men gewoon naar een andere plaats verhuizen. We zijn er echter achter gekomen en hebben 2.000 dienstplichtigen gevonden.”


Smuts wijzigt zijn mening
Van die tweeduizend dienstplichtigen blijven er na keuring en vrijstelling rond 800 over. Van hen laten 200 niets van zich horen of laten blijken niet aan de oproep te zullen voldoen. De meesten verklaren dat hun weigering niet wordt ingegeven door sympathie met Nazi-Duitsland, maar dat zij eventueel wel bereid zijn bij de Zuid-Afrikaanse strijdkrachten te dienen. Ongeveer 150 man hebben dat dan al gedaan.

Als duidelijk wordt dat organisaties als Ossewa Brandwag onder Nederlanders openlijk campagne voeren om hen ertoe te bewegen geen dienst te nemen, zoekt Koch andermaal contact met premier Smuts. Koch redeneert dat wanneer tegen dienstweigeraars geen harde maatregelen kunnen worden genomen hun aantal snel zal toenemen, want een dergelijke campagne, openlijk gesteund door nationalistische dagbladen als Die Transvaler, Die Vaderland en Die Burger zal een nieuw politiek wapen in handen van de Nazi-sympathisanten kunnen worden gericht tegen de regering Smuts.

Smuts laat zich door Koch overtuigen en zegt toe de politie opdracht te geven Nederlandse dienstweigeraars te arresteren. Hij stelt echter als voorwaarde dat zij dan wel onmiddellijk door de Nederlandse autoriteiten in Zuid-Afrika het land uit moeten worden gezet. Koch zegt dit toe.

Van het gesprek tussen Koch en Smuts zijn geen aantekeningen, noch notulen teruggevonden, maar er zijn genoeg aanwijzingen die er op duiden dat Koch Smuts voorspiegelt dat het belangrijkste motief van de weigeraars is dat zij pro-Duits zijn, dus ook een gevaar vormen voor de binnenlandse veiligheid. Als vrijwilligers in het Zuid-Afrikaanse leger zouden zij, meent Koch, ook een soort vijfde kolonne kunnen gaan vormen.. De Nederlandse missieleider krijgt bij Smuts voor elkaar dat alle verzoeken tot naturalisatie voorlopig niet worden afgehandeld en dat Nederlandse dienstplichtigen voortaan niet bij de Zuid-Afrikaanse strijdmacht mogen dienen. En laatste groep van 48 man krijgt eind mei 1941 nog toestemming de overstap te maken. Koningin Wilhelmina tekent daartoe een koninklijk besluit, opdat zij niet het risico hoeven te lopen hun Nederlanderschap te verliezen door in vreemde krijgsdienst te treden.

Als Zuid-Afrika in het najaar van 1939 in oorlog komt met Duitsland melden zich tienduizenden vrijwilligers. Het land kent, in verband met de rassenverhoudingen, geen dienstplicht. Er komt wel een apart zwart legeronderdeel, de Native Military Corps, dat 77.000 man telt.

Onder de blanke oorlogsvrijwilligers bevinden zich zo’n 150 Nederlanders. Ze zijn van harte welkom en de Nederlandse regering gaat ook akkoord. Eén van hen is de dan 20-jarige Chris Elsenbroek. Hij meldt zich in mei 1940 en dient voornamenlijk in Noord-Afrika. Over de dienstweigeraars zegt hij: “We kenden vele Nederlanders in Pretoria (er was feitelijk een Nederlandse kolonie) en de meesten die opgeroepen zouden worden hadden wel bedenkingen, maar zijn toch gegaan. Ik vermoed dat de meeste dienstweigeraars wel politiek gemotiveerd waren, misschien waren ze NSB’ers, dat kan ik niet zeggen. Sommige dienstweigeraars hebben waarschijnlijk wel hulp ontvangen van een organisatie hier die erg anti-oorlog was en dikwijls sabotage hebben gepleegd en moord ook. Zij zijn waarschijnlijk geholpen om de weigeraars op afgelegen plaatsen te laten schuilen. Er waren natuurlijk ook degenen die redeneerden dat ze geëmigreerd waren, omdat er in Nederland geen werk of toekomst was en waarom moesten zij dan nu die grote opoffering brengen.? Ik moet wel zeggen dat ik het optreden van de dienstweigeraars geheel en al afkeur, maar dat ik ze ook niet wil veroordelen. Vroeg in 1943 ontving ik een brief van mijn ouders uit Pretoria waarin ze me vertelden dat er een paar politie-officieren aan huis waren geweest om mij te zoeken. Gelukkig konden mijn ouders mijn militair adres in het Midden Oosten  aan hen verschaffen, dus hoefden ze mij niet meer te zoeken als een voortvluchtende dienstweigeraar. Dit gebeurde nota bene nadat ik toestemming gekregen had om te gaan.”

Elsenbroeks verwijzing naar een gewelddadige anti-oorlogorganisatie die dienstweigeraars hielp moet slaan op de Ossewa Brandwag en aanverwante clubs. Dat andere vaak pacifistisch-ingestelde weigeraars steun ontvingen van vredesgroepen zoals War Resisters’ International, heeft Elsbroek klaarblijkelijk nooit geweten.
000000000000000000000000
Bronnen:
Verhoren Parlementaire Enquete Commissie
Smuts and Swastika, door Alexander Cambell (Londen, 1943)
South-Africans in World War II, door Peter Joyce (Kaapstad, 1989)
Correspondentie met WO II-veteraan Chris Elsenbroek

Hoofdstuk VII


Ook naar Indië
Vrijwilligers, maar ook dienstplichtigen die zonder bezwaar willen opkomen kunnen aanvankelijk ook kiezen voor het KNIL in Nederlands-Indië. Er gaan er ongeveer hondervijftig. Hun aanwezigheid stuit in Indië onverwacht op moeilijkheden. De mensen uit Zuid-Afrika zijn gewend geraakt gekleurde mensen anders te behandelen. Indonesiërs zijn dat van blanken wel gewend, maar Indo-europeanen zijn heel gevoelig op het punt van discriminatie. Een aantal incidenten van discriminerend gedrag veroorzaakt grote opschudding. Dit leidt er zelfs toe dat een aantal Nederlandse Zuid-Afrikanen verzoekt terug te mogen keren naar Zuid-Afrika. Een handjevol wordt dit toegestaan.

De oude schout-bij-nacht J. Bosma, lid van de Militaire Missie, blijkt over deze kwestie een geheel eigen opvatting te hebben. In zijn getuigenis voor de Parlementaire Enquête Commissie verkondigt hij de mening dat onder de eind jaren ’30 naar Indië uitgezonden Nederlanders geen koloniale mentaliteit meer heerste. Bosma verklaart letterlijk: “Toen kwamen de vrijwilligers uit Afrika en toen wist het Indische publiek niets en beschouwde hen nog altijd als een schurftig schaap, daar kwam het op neer. Dit heeft ook een heel slechte indruk gemaakt en het was dus ook een reden niet als vrijwilliger te gaan. Iedereen in Zuid-Afrika wist natuurlijk hoe men daar ontvangen was. “

Een tweede mogelijkheid voor dienstplichtigen, althans als zij over de juiste kwalificaties beschikken, is om als gouvernementsambtenaar naar Indië te gaan. Om deze mensen te werven – uit het bezette Nederland kunnen zij niet meer worden gehaald - is er een speciale man naar Zuid-Afrika gestuurd. Hoeveel ambtenaren deze man heeft weten te strikken is niet bekend. Wel staat vast dat de laatste groep verse koloniale ambtenaren pas in januari 1942 uit Durban naar Batavia vertrekt. De Japanse strijdkrachten zijn dan al flink gevorderd in hun opmars naar het zuiden en het risico door Duitse of Japanse duikboten te worden getorpedeerd is levensgroot. Op het moment dat dit laatste schip na een veilig overtocht in Batavia afmeert zijn sommige delen van Indië al in Japanse handen. Vijf weken later geeft Indië zich over. De meeste hulptroepen uit Zuid-Afrika verdwijnen als snel in interneringskampen. Onder de uit Zuid-Afrika afkomstige militairen zullen er zes hun Japanse krijgsgevangenschap niet overleven

Op grond van de dienstplichtwet is een verzoek om als gewetensbewaarde te worden geaccepteerd ook mogelijk. Ongeveer ‘dertig man, bijna allemaal overtuigde pacifisten en vaak actief bij War Resistors International, worden als zodanig erkend.. Dit betekent echter niet dat zij in Zuid-Afrika mogen blijven. Zij dienen toch naar Engeland te vertrekken om daar vervangende dienstplicht te verrichten.

Het Immigranten Comité
In september en oktober 1941 organiseert het Nederlands gezantschap voorlichtingsbijeenkomsten voor potentiële dienstplichtigen. Die bijeenkomsten hebben een roerig karakter. Aanwezig zijn gezant Van Lennep en overste Koch. Er wordt eerst een propagandafilm Living in The Netherlands vertoond, waarbij tientallen aanwezigen de zaal verlaten. Als de missieleider een aantal vragen beantwoordt keren zij terug. Afwisselend klinkt er bijval en boegeroep, Als Koch wordt onderbroken snoert hij een interpellant ruw de mond. De sfeer wordt grimmiger. Op een vraag of weigeraars zullen worden gearresteerd antwoordt Koch ontkennend. Hen zal slechts consulaire hulp worden geweigerd. Op de vraag of dienstweigeraars zullen worden uitgeleverd aan de tijdelijke Nederlandse regering in Engeland antwoordt Koch ontkennend. Dat Koch erop aanstuurt weigeraars wel te doen arresteren en dit met Smuts al heeft geregeld, verzwijgt hij.

Op een gegeven moment neemt een man, die zich Ballast (vermoedelijk een pseudoniem) noemt het woord. Hij zegt dat men er verstandig aan doet de Nederlandse regering niet te vertrouwen, omdat zij al zo vaak beloften niet is nagekomen. Hij waarschuwt om Koch niet te geloven en zich niet te laten verleiden door ‘gekwinkeleer van de vogelaars’.

Er komt een voorstel ter tafel om een comité te vormen dat met de Zuid-Afrikaanse regering en het Nederlandse gezantschap moet onderhandelen om dienstneming in het Zuid-Afrikaanse leger mogelijk te maken. Van Lennep en Koch protesteren hiertegen, want de bijeenkomst is niet bedoeld om resoluties in stemming te brengen. Na een korte schorsing stemmen zij toch toe. Dan komt Johan van Dijkhorst naar voren. Hij is een ontwikkeld man die in 1935 naar Zuid-Afrika is geëmigreerd en als bouwkundige al een behoorlijk nieuw bestaan heeft oipgebouwd. Hij noemt drie personen die in het comité zitting moeten nemen. Het overgrote deel van de aanwezigen steunt door handopsteken de resolutie. Als dan ook al de naam van het comité wordt genoemd is het duidelijk dat de zaak goed is voorbereid. Van Dijkhorst zelf wordt voorzitter van dit Immigranten Comité.

De vergadering eindigt met een oproep van de gezant ‘om als Nederlanders in de Unie niet met gebalde vuisten tegenover elkaar te gaan staan’. Dan zingt men gezamenlijk het Wilhelmus en zijn de gemoederen voorlopig gekalmeerd.

Enkele dagen later verstuurt Van Dijkhorst namens 140 bij name genoemde immigranten verzameld in het Immigranten Comité het volgende verzoekschrift aan de Nederlandse regering in Londen:

“De Nederlandse Immigranten en dienstplichtigen in Zuid-Afrika welke kennis genomen hebben van hun oproep in militaire dienst ter bevrijding van hun geboorteland, verzoeken het volgende onder uw aandacht te brengen:

1. Zij stellen voorop, dat zij alles zullen doen wat voor hen mogelijk is tot het winnen van de oorlog, daar ook zij geloven dat recht en vrijheid moet zegevieren.

2. Zij erkennen, dat zij juridisch nog steeds Nederlanders zijn en als zodanig nog steeds onderworpen zijn aan de Nederlandse wet. Zij hebben echter zeer ernstige bezwaren tegen bovengenoemde oproep, en wel op de volgende gronden:

a. Zij zijn tengevolge van overbevolking en slechte economische omstandigheden met medewerking van betrokken regeringen, naar Zuid-Afrika geëmigreerd om zich hier permanent te vestigen.

b. Deze Immigranten hebben zich na vele moeilijkheden een bestaan veroverd, hebben hier een gezin opgebouwd en maken thans deel uit van de Afrikaanse Gemeenschap.

c. De banden met het nieuwe Vaderland, zijn, door het jarenlang verblijf hier, sterker geworden dan die aan het geboorteland, b.v., door huwelijk met vrouwen van dit land, doordat hun kinderen hier geboren zijn en verder door vele factoren, zoals het overnemen van de landstaal en gewoonten.

d. De gebondenheid aan Afrika is zo sterk, dat het voor vele Immigranten bijna onmogelijk is dit land te verlaten. De gevolgen hiervan zouden schadelijk zijn voor de personen zelf en de goede Nederlandse naam.

Zij verzoeken u dan ook eerbiedigst in het licht van bovengenoemde bezwaren deze oproep te wijzigen in een vrije dienstneming of, indien dit onmogelijk is, geen sancties toe te passen.

Het IMMIGRANTEN COMITÉ is van mening, dat, indien geen sancties worden toegepast de dienstplichtigen ten volle de geallieerde zaak zullen steunen.

Het IMMIGRANTEN COMITÉ stelt zijn organisatie gaarne beschikbaar om door propaganda de dienstplichtigen en de immigranten in het algemeen op te wekken tot aansluiting bij actieve of technische dienst in Zuid-Afrika, waardoor zij ook hun aandeel kunnen bijdragen aan de geallieerde zaak. Hierdoor wordt de mogelijkheid tot naturalisatie weer geopend.”

Tegelijkertijd richt het Comité een kort verzoek aan de Unieregering van Zuid-Afrika met het verzoek zo spoedig mogelijk genaturaliseerd te worden ‘ten einde zich als vrijwilliger te melden en aangenomen te worden bij de Unie Verdedigingsmacht’. Beide verzoeken worden afgewezen, zonder enige verwijzing naar de afspraken die Koch en Smuts dan al hebben gemaakt.


Schip getorpedeerd op weg naar Engeland
Op 21 januari 1942 is het eerste contingent van ongeveer vijftig man per schip naar Engeland vertrokken. Bij aankomst in Liverpool blijkt dat de Britse autoriteiten niet door de Nederlandse regering zijn ingelicht over hun komst. Pas na dagen onderhandelen kunnen de mannen van boord. In door de Nederlandse regering verspreide persberichten wordt steevast gesproken van ‘vrijwilligers’ in plaats van dienstplichtigen uit Zuid-Afrika.

In totaal vertrekken er met tussenpozen van een paar weken twaalf contingenten naar England. Het zevende contingent vertrekt aan boord van het Britse koopvaardijschip Abosso op 8 oktober 1942 uit Kaapstad. Drie weken later, op 29 oktober, wordt het schip ten noordwesten van de Azoren door een Duitse U-boot in de grond geboord. Aan boord bevinden zich naast de dienstplichtigen ook nog 34 leden van de Koninklijke Marine afkomstig van drie in de Indische wateren verloren gegane duikboten. In Engeland zullen zij de nieuwe bemanning gaan vormen voor de onderzeeër Haai. Voor vertrek protesteert hun commandant bij de kapitein dat het onverantwoord is om bij een maximale snelheid van slechts 14,5 knopen, die de slecht onderhouden Abosso nog maar kan varen, de gevaarlijke oversteek over de Atlantische Oceaan zonder marine-escorte te wagen. De kapitein wimpelt de protesten af en vertrekt. Koch heeft tijdens de eerder beschreven voorlichtingsbijeenkomst op het gezantschap de mannen verteld: “Het transport [naar Engeland] zal zo veilig mogelijk geschieden met een troepenschip, wat sterk bewaakt zal worden”. Als Koch zijn belofte van een jaar eerder gestand had gedaan, zou hij zijn mannen nooit met de ongeëscorteerde Abosso hebben mogen meesturen.

Van de 393 opvarenden van de Abosso, onder wie ook vrouwen en kinderen, komen er bij de ramp 340 om. Niet één van de dienstplichtigen, onder hen bevinden zich ook vijf gewetensbezwaarden, behoort tot de overlevenden. Ook hun commandant verdrinkt. Het is lt. W.M. Reuhl, tweede man van de Militaire Missie, wiens werkzaamheden in Zuid-Afrika zijn beëindigd.

Van het Nederlands onderzeebootpersoneel worden er vier gered, onder wie de commandant, die de risico’s juist had beoordeeld. De Haai kan nu niet bemand worden. Zij wordt noodgedwongen verkocht aan de Noorse marine in Engeland.

Het vergaan van de Abosso veroorzaakt in Zuid-Afrika diepe droefenis onder de weduwen van de dienstplichtigen, die onmiddellijk aankloppen bij de Nederlandse consulaten voor een volwaardig militair weduwepensioen. Helaas is de nieuwe pensioenwet in Londen nog steeds niet gereed omdat er geen prioriteit aan gegeven wordt. De weduwen moeten het voorlopig stellen met een bescheiden uitkering. De consuls in Zuid-Afrika spreken van een ‘groot verzuim’ van de Londense regering. Zij verstrekken de weduwen op eigen initiatief voorlopige uitkeringen om te voorkomen, aldus één van de betrokken diplomatieke ambtenaren, ‘dat zij in een kafferhutje zouden moeten wonen’.
000000000000000000000000000000000


Yüklə 310,34 Kb.

Dostları ilə paylaş:
1   2   3   4   5   6




Verilənlər bazası müəlliflik hüququ ilə müdafiə olunur ©azkurs.org 2024
rəhbərliyinə müraciət

gir | qeydiyyatdan keç
    Ana səhifə


yükləyin